Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

136

Thijs beefde van woede en zelfverwijt. Hij keek Herman een oogenblik aan en zag, dat deze niet sliep, maar ongetwijfeld bewusteloos was. Ook zag hij, dat het beddegoed omgewoeld moest zijn.

O, hier moest wat gebeurd zijn, dat was klaar als de dag, Maar wat ? Hij wist het niet, en hij kon ook niets bewijzen, want toen hij binnenkwam, stond de bootsman rustig bij het bed.

Ach, dat hij ook in slaap gevallen was! Dat hij zijn vriend verlaten had! Dat hij zich niet tegen zijn vermoeidheid verzet had! O, hij had zich wel een slag in het gezicht kunnen geven van zelfverwijt en spijt.

Zonder een woord te spreken, nam hij een doek met koel water, en verfrischte de slapen van den zieke, een handeling, die hij enkele keeren herhaalde, en hij streek het verfrommelde beddegoed weer glad en luisterde met zijn oor aan Hermans mond, of hij diens ademhaling hoorde.

„Zal ik meester Jaap Kopjes waarschuwen ?" vroeg de bootsman op quasie-meewangen toon.

„Ja, dat is goed," zei Thijs blij, dat hij den man kwijt zou raken.

De bootsman verliet de kajuit, maar de chirurgijn liet tamelijk lang op zich wachten, want er waren zwaargewonden aan boord, die hij niet verlaten kon.

Thijs ging voort Hermans slapen te verkoelen, met het gevolg, dat Herman weer bijkwam.

„Is hij weg?" vroeg hij zacht.

„Wie? De bootsman?"

„Ja! Hij wierp een doek — over mijn mond, — en wilde — den gordel stelen "

„Maar dat kon hij niet; die zit veilig en wel hier," zei Thijs op zijn middel wijzende. „Wees maar bedaard en houdt je kalm, Herman, ik zal hier blijven en je niet meer verlaten, t Is alles mijn schuld, maar ik was zoo moe en de slaap had mij overmand. Maar nu blijf ik hier, dat beloof ik je. Je kunt gerust zijn."

Herman glimlachte flauwtjes en viel weer in slaap, en

Sluiten