Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

142

op zijn lichaam en hield hem thans met zijn beide krachtige handen met de schouders op den grond gedrukt.

„Wat, ellendige schurk, wou je me ten tweeden male bedriegen?" riep Herman hem toe, en hij trok zijn kortjan uit de scheede en hief dat gevreesde wapen dreigend omhoog.

De Jood zag het en sidderde.

„Dood mij niet, — dood mij niet!" smeekte hij huilend, „ik weet, waar je broer is, ik weet het, ik weet het, dat zweer ik je bij alles, wat mij heilig is. Wat zal ik je bedriegen —?"

„Neen, ellendige schurk, tweemaal zul je dat zeker niet doen, daar zal ik je geen gelegenheid toe geven."

De Jood rukte zich in zijn doodsangst met bovenmenschelijke kracht los en sprong overeind, Thijs van zich afwerpende. Maar Herman greep hem bij zijn kleeren en hief nogmaals zijn mes op. De Jood omklemde hem mét een snelle beweging zijn pols en maakte het Herman onmogelijk om toe te stooten.

„Ik zeg je, ik weet het, geloof mij, ik weet het!" riep hij Herman toe.

Maar op 't zelfde oogenblik werd hij van achteren aangegrepen door Thijs, die vlug opgestaan was en den Jood met beide handen stevig vasthield.

„Laat hem zeggen, wat hij weet!" riep hij Herman toe. „Hij kan ons toch niet meer ontsnappen. Misschien spreekt hij de waarheid!"

„Goed," zei Herman. „Spreek op, Jood, maar wee je gebeente, als je liegt!" En op spottenden toon het hij er op volgen:

„Hij is zeker bij AU ben Hassan, niet waar? Ja, ja, bij AU ben Hassan!"

„Neen, neen, daar is hij niet, dat was een leugen," riep de Jood uit, terwijl hij tevergeefs poogde zich los te rukken, „maar ik weet het, dat zweer ik je, en als je mij het leven schenkt, zal ik je zeggen, waar hij is."

„En mij bij hem brengen?" vroeg Herman, die ook min of meer geloof begon te slaan aan hetgeen de Jood zeide.

Sluiten