Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

172

De anderen daarentegen, nauwelijks ziende, dat zij alleen waren, staken de hoofden bij elkander en begonnen op gedempten toon te spreken over een plan, dat zij reeds lang hadden gekoesterd en dat, Hendrik de Hoogh had dat langzamerhand weten te bewerken, meer en meer tot rijpheid kwam. Want zij met hun allen, zooals zij daar zaten, waren de muiters, die zich onder leiding van den bootsman meester wilden maken van Compaan en diens schip, dat een ongelooflijk rijken buit aan ongemunt goud en juweelen bevatte.

Intusschen zwierven Thijs en Herman nog in den grootsten angst door het donkere bosch rond, niet wetende, in welke richting zij zich zouden bewegen. Telkens schrikten zij op uit hun somber gepeins door de geluiden der wilde dieren, die evenals zij, door het bosch ronddwaalden en hun leven bedreigden.

Zwijgend gingen zij verder en eindelijk hadden zij de hoop geheel opgegeven, dat zij hun kameraden zouden terugvinden, die immers al lang zouden vertrokken zijn.

Vooral Thijs werd er moedeloos onder, en eindelijk zei hij somber:

„Laten wij hier op dezen boomstam gaan zitten en den morgenstond afwachten. Wat baat het ons, of wij al verder gaan? Ik ben moe en wil wat uitrusten "

„Maar dan vinden wij de rivier niet terug," zei Herman. „Kom, laten we verder gaan. Als we de rivier vinden, zijn we gered."

„Ja, dan kunnen wij althans den weg naar zee vinden, dat is zoo," zei Thijs. „Maar als wij blijven rondloopen, dwalen we misschien hoe langer hoe verder af en gaan eindelijk in dit verschrikkelijke bosch te gronde. Neen, Herman, ik ga niet verder. Ik blijf hier zitten tot morgenochtend."

Hij nam op den boomstam plaats, en Herman was daardoor gedwongen, zijn voorbeeld te volgen. Hij kon toch niet alleen het oerwoud gaan doorkruisen ?

Zwijgend zaten zij naast elkander op den boomstam en luisterden met angst naar de velerlei geluiden, die hun van rondom in de ooren klonken, tot opeens van uit de verte,

Sluiten