Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

176

en moet hij dus het onderspit delven. Eén verzoek heb ik echter, als net eenmaal zoo laat is."

„Welk?" werd er van verschillende kanten geroepen.

„Zoodra we den slag gewonnen hebben en Compaan voor goed van de baan is, verzoek ik je mij zijn kajuitsjongen, Herman Taams, als mijn persoonlijken buit in mijn handen te stellen...."

„Waarom ?" vroeg Michiel Krook. „Wat moet jij van dien jongen?"

„Ja, waarom?" vroegen ook anderen.

„Waarom ?" zei Hendrik de Hoogh. „Waarom ? Wel, om met hem te doen naar mijn welbehagen. Ik haat dien jongen en beschouw hem als mijn persoonlijken vijand, je ziet, ik vraag maar een kleinigheid. Wat kan die jongen jullie schelen?"

„Mij niemendal," schreeuwde Samba. „Mijnentwege kun je hem krijgen en met hem doen, wat je wilt."

„Vinden jullie 't goed?" vroeg de bootsman. „Ik wil hem in geen geval aan boord houden."

„Och, wel ja, waarom niet. Als het anders niet is!" zei de Italiaan.

En ook de anderen brachten geen bezwaren te berde. Wat ging hun die jongen aan ? Wat gaven zij om een menschenleven?

Hendrik de Hoogh stond op.

„Dat is dus afgesproken," zei hij. „Laten we nu naar de boot terugkeeren. De anderen zijn misschien reeds vertrokken."

Maar dat bleek het geval niet te zijn. Zij wachtten aan den oever de komst van hun makkers af, om gezamentlijk de terugreis te aanvaarden.

Ook Herman en Thijs stonden op en verlieten even later hun schuilpaats.

„Heb je 't goed gehoord, Thijs ?" vroeg Herman aan zijn vriend. „En begrijp je, waar het hem om te doen is ?"

„Natuurlijk, — om je gordel. Wat een schurk, hè? Zeg Herman, we moeten op onze hoede zijn en hem goed in de

Sluiten