Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TIENDE HOOFDSTUK

HET BEZOEK VAN EEN KONING EN EEN ONTMOETING MET EEN DAPPEREN HOLLANDER

De Commandeur was nog op en de twee Friezen, Agge en Willem, hielden de wacht voor de deur van zijn kajuit. Herman begaf zich dadelijk naar binnen om te vragen, of de Cornmandeur nog iets te bevelen had, en deze zei hem te vertellen, wat zij zoo al dien middag beleefd hadden.

Toen bracht Herman een getrouw verslag uit van hun ontmoeting met den negerkoning Kassonngo en diens onderdanen en van diens prachtige uniform en schitterenden troon, bestaande uit een omgekeerden aarden pot, en van zijn eisch om hem den noodigen eerbied te bewijzen, door zich voor hem ter aarde te werpen, en hoe bang hij geworden was, toen dat niet gebeurde, en hij zijn toovenaar had laten komen om te maken, dat hij tegen alle gevaren behoed zou zijn. En de Commandeur moest er smakelijk om lachen, toen hij vertelde, hoe de bootsman alle pistolen tegelijk had laten afschieten, met het zotte gevolg, dat de dappere koning benevens al zijn onderdanen van schrik ter aarde vielen en niet durfden opstaan, voor zij daartoe van den bootsman verlof kregen. En hij vond het grappig, dat de bootsman hem den Koning der Zee had genoemd en den negerkoning bevolen had, hem den volgenden dag een bezoek te brengen aan boord van zijn schip.

„Goed," zei hij lachend, „wij zullen Zijne Majesteit met eerbied ontvangen en hem vriendschap bewijzen. En hebben jullie nog meer avonturen beleefd, Herman?"

„Ja, Commandant, maar die zijn zoo grappig niet, althans

Sluiten