Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

179

niet voor u en mij. Er wordt een complot tegen u gesmeed,

Commandeur. Thijs en ik waren samen het "

„Een complot gesmeed?" vroeg Compaan, terwijl de aderen van zijn voorhoofd opzwollen en hij zijn zware wenkbrauwen samentrok. „Muiterij, Herman, betreft het muiterij ?"

„Ja Commandeur, — 't betreft muiterij. Thijs en ik waren...."

„Roep Thijs!" viel de Commandeur in.

Herman ging en kwam weldra met zijn vriend terug.

„Vertel op!' gebood Compaan kortaf.

„Ja Commandeur," zei Herman, „de mannen gingen dobbelen op een open plek in het bosch, en daar Thijs en ik daar niet aan mede wilden doen, liepen wij samen het bosch in. Toen zijn we verdwaald, Commandeur, en door de snel invallende duisternis konden wij de kameraden niet terug vinden, evenmin als de rivier, waar de booten lagen. We dwaalden dus...."

„Vertel korter," gebood Compaan.

„Ja Commandeur, — we dwaalden langen tijd rond, tot we opeens mannenstemmen hoorden, en omdat we niet wisten, of het vrienden of vijanden waren, slopen we behoedzaam naderbij. Ten slotte waren wij vlak bij hen, en konden wij alles verstaan, wat zij zeiden."

„En wat zeiden zij ?" vroeg Compaan.

,,'t Waren alleen de mannen uit de boot van den bootsman. Die uit de andere boot waren reeds naar de rivier gegaan en wij hoorden, hoe er een was, die de anderen aanzette tot muiterij...."

„Wie was dat?"

„De bootsman, Hendrik de Hoogh," viel Thijs in.

„Ja, Hendrik de Hoogh," hernam Herman. „Hij zei met zekerheid te wetefi, dat u een grooten schat aan boord had aan baar goud en edelgesteenten, om van het geld niet te spreken, en hij stelde hen voor, zich van u meester te maken, om u te dooden en den schat onder hen te verdeelen."

„En vonden de anderen dat goed?"

Sluiten