Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

219

sleepen tot het bittere einde, tot de dood hem eenmaal uit zijn jammerlijk lot zou verlossen.

Geen kooplieden lieten zich meer zien. Zij wisten, dat het schip weldra zee zou kiezen en dat er niets meer te verdienen viel. Op het dek heerschte een groote bedrijvigheid. Alles werd voor het vertrek in gereedheid gebracht.

De heeren Valkenburg, Evert Cornelisz en Hein Aartsz bevonden zich reeds aan boord en hunkerden er naar, in zee te steken. Want reeds langer dan een half jaar hadden zij te Saleh vertoefd, om op de komst van Compaan te wachten. Er moest voortgemaakt worden, want als Compaan niet binnen een door de hooge regeering vastgestelden tijd in het vaderland was teruggekeerd, zou het pardon verloopen zijn en wachtte hem de straf van eiken zeeroover.

Herman stond nog altijd tegen de verschansing geleund, en tuurde naar de stad, die hij zoo noode verliet.

Maar wat zag hij ? Van de kade stak een bootje in zee, waarin twee personen zaten, waarvan er een roeide en de ander het roer hield. Het zette regelrecht koers naar de Omval. Wie konden dat nog zijn? Immers de Commandeur had al zijn zaken afgedaan en verwachtte van niemand meer bezoek ?

De boot kwam nader, en opeens richtte Herman zich met een schok overeind. Hij boog zijn hand boven zijn oogen, om beter te kunnen zien, want het felle zonnelicht verblindde hem bijna.

Wat zag hij, dat hem zich zoover mogelijk over de verschansing deed heenbuigen, wat deed alle kleur van zijn gelaat wijken en maakte hem wit als krijt?

O, maar die man daar aan het roer moest Mozes zijn, de Jood, neen, neen, hij zag het duidelijk en kon zich niet vergissen. O hemel, wat kon dien man bewegen, nu nog een bezoek aan het schip te brengen, juist nu het op punt stond om te vertrekken? En wie was die andere man, die roeide ?

Langzaam kwam de boot naderbij, o Herman veel te langzaam. Kon die roeier dan niet wat voortmaken, niet

Sluiten