Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

nog, vlak voor den Hoofdtoren en tal van leegloopera, maar ook veel visschers en schippers en een enkel burger verdringen zich om hem en luisteren met stijgende verbazing naar de vertelling van den zeebonk.

„Ja mannen, het is nou een week geleden, dat ik 's nachts met m'n schuit tusschen 'n groote vloot was geraakt. We lagen in 't Kanaal, dicht bij de Engelsche kust. Pas werd 't dag, of ik wreef m'n oogen eens uit; ik dacht kasuweel, dat ik droomde. Waar ik heen keek, overal schepen. — En wat voor schepen! In de meeste kon m'n kleine vlieboot wel tienmaal ronddraaien. Het leken wel drijvende kasteden, met hooge spiegels en vol vlaggen. Echte bakbeesten waren het! Aan boord van die dingen wemelde het van menschen en zooveel ik zien kon, waren het allemaal ridders en edellieden, met mooie' pakjes aan. — En hoeveel kanonnen er niet uitstaken! — Ik vergat ze te tellen, maar het waren er honderden!

Dadelijk riep ik m'n volk en weldra lagen we met ons allen over de verschansing en gaapten die vreemde monsters aan, alsof het dingen van 'n andere wereld waren."

„Wat zouden dat zijn!" vroeg Wim, m'n zoon.

Sluiten