Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20

„Ja," jammerde Dirk, „nou dook het onder. Het is, als ik je vertel, er komt vast een ongeluk!"

De schipper, die in de kajuit was geweest, stak op al het rumoer het hoofd uit het vooronder en vroeg:

„Wat hebben jelui 't toch druk, scheelt er wat aan?"

„Och, vader," klaagde Wim, „oude Dirk vertelt, dat er stellig een ongeluk komt; hij zag een meermin."

„Wat ongeluk, jongen!" mopperde vader, terwijl hij ook aan dek kwam, „we zijn allen in Gods hand en over zoo'n meermin of zoo iets behoeven we ons niet warm te maken."

„Dat zeg. je wel, schipper," beaamde Klaas. „Ik heb van het heele ding niks gezien."

„Omdat je niet zien wou!" snauwde Dirk, „maar ik zag het wel en Krijn ook en let op m'n woorden, deze tocht loopt niet goed af!"

De rust was verdwenen. Hoewel enkelen ongeloovig de schouders ophaalden en Dirk met zijn voorspellingen naar de maan wenschten, zou men geen kind der zestiende eeuw geweest zijn, om niet aan meerminnen en andere bovennatuurlijke personen te gelooven.

Ontmoedigd zetten de meeste zeelieden zich op

Sluiten