Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3i

Britten den Spanjaarden de baas en wie er ook daagde, geen Parma. Die lag in de haven en lie stampvoeten langs den kant, want ginds kruist^i de Hollanders en Zeeuwen en bewaakten als ^uihonden den uitgang.

Eenige malen had de dappere veldheer zijn troepen ingescheept en getracht, zich bij zijn vrienden te voegen, doch evenveel malen was hij teruggeworpen en wachtte hij, tot de Armada zou komen, om hem van zijn bewakers te bevrijden. En deze keek even verlangend uit, of Parma zou verschijnen, om gezamenlijk naar Engeland te kunnen oversteken, want och, men had zijn hulp zoo noodig!

En van het eene kwam evenmin als van 't andere. Op 'n onstuimigen nacht hadden de Engelschen een aantal brandende schepen op de groote vloot afgezonden en nauwlijks hadden de Spanjaarden deze vurige monsters gezien, of de schrik sloeg hun om het hart en hadden ze zich gehaast, de ankers te kappen.

In de daardoor ontstane verwarring botsten de galjoenen de eene tegen de ander en raakten de touwen, en raas in elkander verward en vóór de beangstigde zeeüeden den boel konden loskappen, hadden de branders hun heerlijke schepen aangetast. Het was alsof het laatste oordeel was aangebroken.

Sluiten