Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

36

en van boven naar onder; dan keken de officieren met een angstig gezicht in de deur van hun kajuit en spraken slechts van vluchten.

Gelukkig bleek een oogenblik later, dat men zich vergist had en keerde de rust weder terug, maar het was treurig met de Spanjaarden gesteld. Het mooie weer scheen voorbij en hoewel men pas het eind van Augustus schreef, volgde de eene storm op den anderen.

Wim zocht dikwijls ouden Dirk op en vroeg, wat die er van dacht.

„Wat ik er van denk, jongen? Dat we allemaal naar de haaien gaan. De Spanjaarden zijn geen zeelui. Goed, als 't zulke kerels waren, als je vader; ja, zie je, dan zag ik wel kans, uit deze buurt te komen, maar die Dons! — Ze loopen in hun fluweelen pakje rond en zetten, als het hard waait, een gezicht of ze de geheele wereld willen opslokken, maar met een schip om te gaan, weten ze niet. Zie me daar ginds dat galjoen eens; als 't niet oppast, stoot het tegen z'n buurman aan. Daar heb je 't al!"

En werkelijk op een honderd meter afstands zag Wim een paar groote schepen tegen elkander bonzen. Van het eene brak een mast, die met groot geraas naar beneden stortte, van het andere kraakte de boegspriet en hoorde men het gekerm van gewonden.

Sluiten