Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

47

aan. Wel waren de meeste doorweekt van zeewater, doch dat deerde niet. Hun maag werd gevuld en meer verlangden ze niet.

Toen wierpen ze zich op het strand en staarden naar het wrak, dat in de kokende branding aan alle zijden gebeukt en geteistert werd.

„Zouden er nog levenden op zijn?" vroeg Juan.

Wim haalde de schouders op. „Ik denk 't niet, jongen, dan hadden we ze wel gezien."

„Kunnen we er niet opkomen?"

„Onmogelijk! Zie maar, hoe woest de zee. nog staat, hoe zullen we 't bereiken?"

Ook Juan zag de onmogelijkheid ervan in.

„Wat zou er met de andere schepen gebeurd zijn?"

„Natuurlijk ook gestrand," meende Wim, „tegen zoo'n storm was niets bestand.

„Dat is waar," beaamde Juan. „Zouden hier geen menschen wonen?"

„Ik weet 't niet. Het is hier anders een ongelukkig land. Niet anders dan zand en rotsen! Wacht, ik zal op die hoogte klauteren, misschien zie ik wel eei schoorsteen!"

En *ol moed begaf Wim zich naar den hêuvel en werkte zich naar boven.

Sluiten