Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6o

' Schuw zagen Juan en Frederico rond. Ze voelden wel, dat hun leven aan een draadje hing.

't Was inmiddels al bijna donker geworden en zoodra Wim met zijn verhaal geëindigd was, zei de burgemeester tegen een der schoutendienaars:

„William, breng die kerels naar het hok in den toren, geef ze wat water en brood. Morgen is 't Zondag dan zullen we ze dus met rust laten. Maandag kunnen we er over denken, wat er met hen gebeuren moet ?"

Onmiddellijk wenkte de aangesprokene de jongens hem te volgen en omstuwd door tientallen joelende knapen en meisjes ging het naar den toren.

't Was een oud, vervallen gebouw, afgezonderd van de overige huizen en omringd door een groote ruimte, die tegelijk voor speelplaats van de jeugd, en aschbelt voor de ouderen diende; overal lagen toch oude blikken emmers, potten en andere weggegooide rommel.

De deur werd opengesloten en een groot, maar vunzig hok ons drietal tot verblijf gegeven.

John was hen gevolgd. Hij greep Wim bij de hand en zei:

„Ik zal jelui wat stroo brengen, jongen, dan heb je ten minste gelegenheid, wat te slapen."

Een dankbare blik was zijn eenigste belooning,

Sluiten