Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6i

want reeds was de zeeman vertrokken, om zijn voornemen uitte voeren.

Binnen een kwartier keerde hij echter weder terug, gevolgd door een jongen, die sprekend op hem leek,' zeker z'n zoon. Beiden droegen een paar bossen stroo.

De deur stond nog open, blijkbaar ten gerieve van de lieve straatjeugd, die de ongelukkigen aangaapte, alsof 't wilde dieren waren.

John wierp het stroo neer, stak haastig Wim een pakje toe en fluisterde:

„Morgennacht, moetje goed luisteren, slaap lekker," en zich tot den gerechtsdienaar wendend: „Ik zou 't hok nou maar sluiten, William, dan kunnen de stumperds wat rusten."

,,'kGeloof, dat het 't beste is! — Vort, jongens, naar je moeder toe!"

Langzaam week de jeugd een paar passen achteruit.

„Ik zal jelui straks nog wat voedsel brengen!"

Toen werd de zware deur dichtgegooid en de schipbreukelingen waren alleen.

Sluiten