Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

63

Wat smaakte dat, doch ze waren te moe, om verder veel te spreken. Ze schikten zich op 't stroo en weldra bewees hun geruste ademhaling, dat een verkwikkende slaap hun vergetelheid had geschonken.

Den volgenden morgen was nauwlijks aangebroken — enkele lichtstralen, die door het kleine venster boven de deur doordrongen, gaven hun een teeken daarvan — of een soezend rumoer vermeldde, dat de jeugd reeds weer op haar post was.

De ongelukkigen verroerden zich niet, een doffe verslagenheid had zich van hen meester gemaakt en hoe luid het getier ook soms werd en aangroeide tot een helsch gejuich, toen William de deur opende, om hun water en brood te brengen, ze bleven op' het stroo uitgestrekt en dommelden telkens weer in.

Zoo verliep de Zondag en een tweede nacht brak aan. Juan en Frederico sliepen ook nu weer telkens in, doch Wim draaide zich steeds onrustig heen en weer: hij moest toch immers wakker blijven, had de zeeman hem gezegd.

Zoo verliep 't eene uur na 't andere. In den voornacht gelukte het de maan nog, een enkele harer stralen door het venster te werpen, doch ook deze was verdwenen en de duisternis zoo mogelijk nog dichter geworden.

Sluiten