Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

67

Zijn vrienden volgden z'n voorbeeld.

Een honderd meter verder durfden ze pas op te zien. Gelukkig, nu stond er wat struikgewas en onder beschutting daarvan trokken ze een tijdlang verder.

Eindelijk riep Frederico:

„Ik kan niet meer, mannen, ga jelui maar alleen verder, laat mij aan den weg liggen!"

„Dat nooit Fred," riep Juan, „waar jij blijft, blijven ook wij."

Hijgend naar adem, vielen alle drie neer.

„We zullen hier wat rusten," meende Wim, „dan kunnen we straks weer verder gaan."

Zijn metgezellen antwoordden niet, maar staarden somber voor zich uit. Wat was die weg nog lang en hoe verwijderd scheen hun die toren.

Daar kwamen ze nooit.

Zoo lagen ze een geruimen tijd en zuchtten en zwegen. Plotseling schrokken ze op. Hoorden ze niet het geluid van een kar?

Wim spitste de ooren en richtte den blik achter zich

Daar hobbelde een huifkar over den weg Een oude vrouw bestuurde 't magere paard, ze had *een mand naast zich.

Wims oogen begonnen te schitteren.

Dat kon niet a 2ijn dan de vrouw m d&

Sluiten