Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«5

, Je moet maar altijd bij ons blijven, jongen," zei ze op een goeden keer, „we hebben zelf geen kinderen, dan krijg je later onze schuit en ons huisje."

„Neen, moeder, dat gaat niet, ik moet weer naar Holland."

„Ik begrijp het, jongen, ik begrijp het, maar het zal me vreemd zijn, als je weer weg bent."

Met de andere visschers kon Wim best overweg, alleen met Dick, den naasten buurman, wou het niet best lukken. Het was een ruwe baas, die liever lui dan moe, met leede oogen het aanzag, dat het den wakkeren Ben zoo goed ging.

„Zoo'n ouwe vent!" bromde hij vaak, „die heeft altijd een volle lading en ik, vang geen enkel vischje. Maar je zal je verdiende loon wel thuis krijgen!" en dan balde hij de vuisten en richtte booze blikken op Ben, die van den prins geen kwaad wist.

Eiken dag werd Dick woedender. Hij dacht zich gek, wat hij moest doen, om zijn buurman, wien het zoo voor den wind ging, een loer te draaien.

Hij liep een keertje meer naar dè herberg en vertelde dan allerlei leelijks van Ben en Wim. 's Nachts en lag hij op zijn legerstede en woelde en woelde zon op plannen, om zijn buurmante plagen, maar vond niets Weer waren Ben en Wim op een Zaterdagavond

Sluiten