Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELFDE HOOFDSTUK.

Wat was dat een heerlijk gezicht, toen zich de Hoofdtoren aan den horizon vertoonde! Hoe vaak had Wim, toen hij in de Iersche gevangenis zuchtte, verlangd naar zijn vaderstad! Dan kwamen al die plekjes voor den geest, waar hij als jongen gespeeld had en die hij zoo goed als zeker nooit weer terug zou zien!

En nu was alles ten beste gekeerd en vertoonden zich de hem zoo welbekende gebouwen voor zijn oog.

Maar och, wat ging het langzaam; wat verliep er een tijd, eer de haven was binnengezeild, eer het schip lag vastgemeerd!

Schipper Pietersz zag het hem wel aan, hoe hij trappelde van ongeduld.

„Loop maar dadelijk naar huisjongen, maar voorzichtig, laat je moeder niet schrikken!"

Wim liet het zich niet tweemaal zeggen en nauwlijks was de schuit aan het Hoofd vastgelegd, of hij holde van boord.

Sluiten