Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

128

zou wel te laat aan de poort komen, doch hij had het er voor over, boete te betalen.

Met versnelden pas ging het nu naar de plek van de ramp. De vurige roode lucht wees hem de richting wel aan.

Hoe meer hij naderde, hoe duidelijker hij kon zien, hoe de brand om zich heen greep.

Woest laaiden de vurige tongen omhoog. Een regen van vonken dwarrelde door de lucht, terwijl een ■dichte rookwolk bolderde en verstikte; nu langs de velden werd voortgestuwd, een volgend oogenblik omhoogkringelde.

Het was blijkbaar een groote boerenhofstede, die een prooi van den vuurgod was; o, neen, het schenen er wel twee, of, zag hij goed, waren 't niet drie? Stond misschien het heele dorp in den brand!

Eindelijk had hij het ongelukkige vlek genaderd. Als mieren krioelden verschillende mannen en vrouwen tusschen het geboomte rond.

Aan blusschen viel niet te denken. Vooreerst heten 4e bluschmiddelen in dien tijd alles te wenschen over en bepaalde men er zich toe met kleine emmertjes welke van hand tot hand gingen, water op het vuur te werpen, of trachtte men door kapraven — groote haken — de brandende woning uit elkaar te rukken,

Sluiten