Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

J37

Aarzelend stak Wim den arm uit.

„Is het hier? — O, ik zie 't al! — Ja,jongen, die is gebroken, daar ben je voorloopig niet van af. Ik ga even naar huis, om lappen en plankjes te halen; dan zullen we zien het te zetten. Daar ben je een paar maanden mooi mee."

„Een paar maanden! — En ik zou morgen met vader uitvaren!"

„Dat is wel mogelijk, maar daar komt niets van, ik denk niet, dat ze aan boord een jongen kunnen gebruiken, die met den arm in 't verband loopt."

„Zeg dat wel, buur," viel Geert Jansz. in. ,,'t Is drommels jammer, doch wat niet kan, kan niet."

Moeder keek niet zoo bedroefd, als we verwachten zouden. Bijna vroolijk zei ze:

„Nou, jongen, ik zal goed op je passen hoor, en dan zal 't wel weer losloopen."

Wim zag heel sip, doch er viel niets aan te ver-, anderen.

Denzelfden dag zette Gilles den arm en gaf een groote hoeveelheid wijzen raad: dat men zoo en zoo moest handelen; dat men den arm niet mocht stooten, dat hij niet op den voet mocht loopen, doch Wim luisterde er niet naar.

Den volgenden morgen vertrok vader en hij kon niet

Sluiten