Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Met gunstigen wind ging het om de Hebriden en Schotland heen, doch pas had men de Noordzee bereikt, of achter de klippen van een der Orkadische eilanden schoot een schoener vandaan, die met volle zeilen op de Hollanders afkwam.

Pikmans stond aan het roer. Vroolijk en opgewekt als in geen jaren, zag hij de toekomst hoopvol tegemoet. Hij keek recht vooruit, als immer, doch Wim, die aan den voorsteven bezig was met het splitsen van eenig touwwerk zag den vreemde het eerst.

„Kijk eens, schipper!" schreeuwde hij, „wat moet die snoeshaan?"

Pikmans wendde het hoofd om.

Oogenblikkelijk begreep hij, dat het niet in orde was, en toornig riep hij:

„Dat is wis zoo'n Engelsche kaper, die al zoovaak onze schepen gebuit hebben. — We zullen zien, wie 't wint. — Kom, jongens, alle zeilen bij. Als die vent onze schuit neemt, zijn onze goudstukken naar de maan!"

Sluiten