Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

195

Het volgende oogenblik verhief het schip zich weer. Harm had onderwijl geen oog van den vijand afgewend.

„Goddank!" brulde hij eensklaps, „daar gaat hij. Ik had het wel gedacht!"

Haastig keken allen op en bemerkten tot hun groote vreugde, dat bij den Engelschman de top van den grooten mast was gebroken, ook een der kleinere zeilen was uit de touwen geslagen.

Een zucht van verlichting steeg uit de mannen op.

„Steek gerust een rif in 't grootzeil, schipper, nu krijgt hij ons niet meer te pakken!" vervolgde Harm.

Pikmans, die onder het geroep zijner matrozen geen oogenblik het schip uit het oog had verloren en zich bij den windstoot krampachtig aan het roer had vastgeklemd, wendde nu den blik achter zich en zag den rampspoed van den ander.

„Gelukkig!" juichte hij, „dat was op *t kantje. Ik geloof, dat we 't redden!"

Het donker begon te vallen, doch met onverminderde vaart schoot de fluit door de golven.

.Achter geen licht op, jongens! Alleen aan den boeg en dan in den bak, zoodat het schijnsel niet naar achter zichtbaar is."

Sluiten