Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Plots heft Snelvoet den kop op, luistert met opgezette ooren en een groenachtig licht flitst uit zijne oogen.

Onzichtbaar haast trillen de neusvleugels, eene lichte siddering vaart hem over de huid. Dan kruipt hij naar den uitgang van het hol en staart in de duisternis vanwaar uit de verte de stervenskreet klinkt van een in doodsangst verkeerend dier.

Het geschreeuw komt steeds nader en kort daarop snelt in vliegende vaart een groote haas het heideruig in, het hol tegemoet, waar Snelvoet zich nog juist bijtijds in kan terugtrekken om niet opgemerkt te worden.

Op den rug van den haas zit als eene klit vastgezogen een wezeltje, dat met de wreede dunne lippen het bloed zuigt uit eene wonde, die de witte tandjes in den strot van het dier gemaakt hebben.

Radeloos van angst en pijn, zijne krachten voelend verminderen, met de wetenschap dat niets hem meer baat om zijn vijand te ontkomen, vlucht het gemartelde beest in het hol, waar gretige tanden hem opvangen en een einde aan zijn lijden maken.

38

Sluiten