Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tusschen de gladde stammen der beuken en de ruwe tronken der eiken en de roodkoperen masten der dennen hing de boschlucht dampig en zwaar en uit den mosbodem stegen zwaarmoedige geuren, terwijl eene looizuurachtige, prikkelende essence aanzweefde uit het eikenhakhout.

Dat alles sprak van den komenden winter. Langzaam stierf het levende. Het bosch, des zomers nog vol van stemmen, geleek wel uitgestorven, en waar zich nog leven vertoonde, was het een wezen, sluipend en spiedend naar proviand. Vijandschap stelde zich tusschen de nog aanwezige boschbewoners. Voedsel was alles wat men begeerde. Voedsel, al was het nog zoo weinig, om den metgezel van den winter te verjagen, want met den laatsten was honger medegekomen; had zich gehuisvest in het ingewand van marter en bunzing, van wezel en hermelijn, en schrijnend en krampend van inwendige pijn zwierven deze door het woud, langs de oevers der beken, door het moeras, over de dikke takken der boomen, langs begaanbare en onbegaanbare wegen, spiedend en speurend naar prooi.

6 Snelvoet

81

Sluiten