Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALS HET WINTERT

| VER het gladde ijsvlak der Zuider¬

zee spiegelen de manestralen. Zij vleien en koozen in ononhrmrlei;^

£ V"-

I geschitter en sprankelend weerkaatsen de lichtbundels en zetten het al

in helder, blauwbleek licht.

Het groote meer, temidden van het ijsvlak is nog open, doch reeds schilfert hier en daar ppn ücl.,,^

en als de scherpe noord-ooster een oogenblik zijn adem inhoudt, ligt, waar nog kort te voren golfjes kabbelden, eén ijsvlies.

Al kleiner en kleiner wordt de plas en voor de oosterhemel zich te barnen zet is de geheele zee toegevroren en heeft het ijs den ganzen en eenden, die naar het ijsmeer getrokken waren, hun laatste bron van bestaan ontnomen. Zij trekken nu van Oost naar West, van Zuid naar'Noord, en hongerig vliegen zij ten laatste landwaarts naar de snelvlietende beken, waar de wintervorst nog geen macht op heeft kunnen uitoefenen.

83

Sluiten