Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wreed jachtprikkelend begeeren naar bloed in hem deden ontwaken.

Nimmer nog was zijn verlangen om te moorden zoo groot geweest en langzamerhand was zijn gaan een doodenrit geworden; als een razende snelde hij door het woud, den pluimstaart hoog opgeheven, de glimmende vacht vol van phosphoriseerenden glans.

Als verdwaasd rende Snelvoet voort, een onbestemd verlangen in zich voerend, niet wetend hoe dit gevoel te dooden of het uit te leven, toen plotseling voor hem een huis opdoemde, dat als een ronkende reus te slapen lag tusschen de ruischende boomen. Een oogenblik bleef hij staan, en keek nieuwsgierig rond en langzaam kwam de herinnering aan vroegere dagen naar voren en ofschoon de omgeving hier en daar verandering had ondergaan, herkende hij de plaats, waar hij het eerst had kennis gemaakt met den mensch, waar hij in trouwe vriendschap had geleefd met Bruun, den jachthond, waar zijn grootste vijand, de kater woonde, en hij smoorde een grom in zijn strot bij de herinnering aan zijn kwelgeest, den jongen, den zoon van Maarten.

101

Sluiten