Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Even voorbij den molen loopt de weg naar beneden," zei Mieke; „het wagentje zal de helling heel gemakkelijk afrijden, Suusje." Zij had niet gehoord, dat Moeder gezegd had, dat zij niet verder dan den molen mochten gaan, want juist toen Moeder dit zei, was zij de kamer uitgegaan om haar pop te halen.

„Ja — ja," gaf Suusje nadenkend toe; „ja, dat zal het natuurlijk."

Nu was er vlak bij den molen een heel mooi uitzicht, waar men verscheiden torens kon zien. „Moeder zal wel goedvinden, dat wij zóó ver gaan," maakte Suusje zichzelve wijs. Zij spande al haar krachten in om het karretje er heen te trekken en de hoop den witten molenaar en de spitse torentjes te zien, gaven haar moed.

Na een tijdje waren zij bij den molen. De molenaar zag er even wit uit als meel. Maar — waar was het uitzicht? O ja, nu herinnerde zij het zich op eens: dat kwam pas daar, waar de weg een hoek maakte.

Zou zij verder gaan? Moeder had immers gezegd: „tot den molen." Maar Moeder zou misschien wel goedvinden, dat zij naar de torens gingen kijken, nu zij er al zóó dicht bij waren.

76

Sluiten