Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11

aan „zijne Spaanschgezinde ambtgenooten, een groot deel der burgerij, die in het geheim het vertrouwen der welgezinden ondermijnden, het zaad der tweedracht uitstrooiden, tot verzet en oproer aanspoorden," en bovendien aan „de leeraren, die zijne vaderlandsliefde en godsdienstzin miskenden en hem bij de burgers verdacht maakten," dan kunnen we dien man alleen bewonderen, doch hem begrijpen zoo goed als onmogelijk. Waarlijk, die eenvoudige zeemtouwer of touwslager, wiens Vader, een Vermaner of Leeraar der Doopsgezinden te Haarlem, om zijn geloof ter dood gebracht werd, en die, juist om het geloof zijns Vaders, door de Calvinistische predikanten van Leiden verdacht werd gemaakt, verdient zijn standbeeld ten volle. Het is wel meest altijd gekheid om te zeggen : „Als dit of dat niet gebeurd was, dan zou dit of dat anders zijn." Maar geen gekheid is het te beweren, dat Spanje misschien wel gezegepraald zou hebben, zoo Pieter Adriaensz. niet dien onwrikbaren moed, dien helderen geest en die onkreukbare trouw bezeten had.

Een der laatste bevelen van Alva was geweest, we zeiden het reeds, om Leiden te gaan belegeren, en dat wel, nadat deze stad gedurende het langdurige beleg van Haarlem heel wat geleden en gedaan had terwille der moedige Haarlemmers. Nu eens was zij de verzamelplaats der benden, die beproeven zouden Haarlem te ontzetten, dan weer was zij het eerste veilige toevluchtsoord, dat de soldaten bereikten, wanneer ze door de Spanjaarden verslagen waren geworden, of op eene andere wijze hun plan mislukt zagen. Op baldadige wijze konden de soldaten huishouden. Na de nederlaag van Lumey op het Manpad bij Haarlem, den twaalfden December 1574, kwamen volgens de aanteekeningen van Jan van Hout, minstens twaalf vendels binnen Leiden, die daar bleven tot het laatst van December en door de burgers moesten gevoed en geherbergd worden. Niet zoo licht tevreden waren die ruwe mannen, en om vrede met hen te houden, waren de inwoners genoodzaakt

Sluiten