Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27

onverschillig was om in het een of andere gilde een ambacht te leeren, hield er voor het gemak maar geen Vaderland op na, en verhuurde zich, als soldaat, aan het land, dat het meeste betaalde, of aan het Legerhoofd, dat de meeste plunderingen toeliet. Daarom werd er bij de overgave van een stad aan den vijand ook een zekere som gelds gegeven om de plundering af te koopen. Had de overwinnende vijand die som niet aan zijn volk uitbetaald, of wilde hij van geen afkoopen weten, dan waren de overwinnaars nauwelijks in de stad, of ze drongen, zonder daartoe verlof te vragen, alle huizen binnen, namen mede, wat van eenige waarde was, vernielden het overige en bedreven met de bewoners de wreedste baldadigheden. En zulke ruwe gasten moesten ook door de burgerij binnen de stad genomen worden, als ze belegerd zou worden. Kazernen had men in dien tijd niet, zoodat ze bij de burgers, tegen een kleine vergoeding, ingekwartierd werden. Het was dus geen wonder, dat die van Leiden met vreugde hoorden, dat de soldaten vertrekken moesten, en met leedwezen zagen, dat enkelen er wat op gevonden hadden om toch te blijven. Dat dezen niet vriendelijk behandeld werden, spreekt vanzelf.

Nauwelijks waren van Hout en zijn vrienden heengegaan, of de Bevelhebber van de afdeeling Leidsche vrijwilligers, die met hun allen slechts zes-en-tachtig man uitmaakten, trad binnen en bracht den soldaten het bevel, dat ze kort en goed te zorgen hadden, dat ze binnen de vier-en-twintig uren de stad verlaten hadden.

„Jawel," bromde een soldaat, „we mogen hier wel zijn om lijf en leven te wagen, als de nood aan den man is; maar is de nood voorbij, dan kunnen we een goed heenkomen zoeken, onverschillig waar 1"

„Het ergste nog niet," liet een ander zich hooren. „Lijf en leven in een eerlijk gevecht wagen, bah, een lafaard, die er tegen opziet! Maar honger lijden, dat men er scheel van wordt, en vechten bovendien, ja, daarvoor zijn we goed genoeg,

Sluiten