Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

30

DERDE HOOFDSTUK. „Dat zegt Janus Donza!"

De soldaten, niet veel meer of beter dan de herberg uitgegooid, waren woedend, en whden hun wraak al gaan koelen op de vensterluiken en ramen van „De Twee Sleutels" toen ze de burgerwacht zagen naderen, en al bestond die ook nu, volgens Pieter van Wezel, uit maar acht „koekbakkers " toch besloten ze om maar niet in aanraking met hen te komen en heen te gaan.

„Gaat met mij mede, mannen," zeide Pieter, die opeens te voorschijn trad, „ik weet nog wel een taveerne, waar de waard weet, wat een soldaat toekomt." „En verkoopt hij ook brangdemoris?" vroeg een soldaat. „Of hij brangdemoris verkoopt ? Zoo even ! Puike waar ook dat verzeker ik je!" "

„Je kunt zooveel verzekeren," bromde een der soldaten die zijn knieën stond te wrijven, omdat hij daarop neergekomen was. „Het zal dan wel puike waar voor puik geld zijn, en dat laatste houden wij er, lacie, niet op na i"

„Precies! Hij rekent puik geld aan alle domme luiden, die het met de Regeering houden, maar soldaten rekent hij geen grootje voor een mingel."

De soldaten keken hem ongeloovig aan en dat was, waarhjk, geen wonder ! Een mingel was bijna een halve kan en kostte ongeveer twaalf stuivers. En zooveel zou hij geven voor nog minder dan een grootje of halven stuiver ? Gekheid als er zulk een taveerne of herberg was, dan hadden ze het immers al lang geweten ?

Pieter keek hen lachend aan en zeide: „Nu ja, voor een enkelen keer geeft hij het om niet. Er zijn hier twee-en-twintig herbergen of taveernen in de stad, maar de Magistraat weet er maar. van een-en-twintig. Die een is er in stilte, en de waard Jurrie Thysz., ook een schipper, is een heel goed vriend

Sluiten