Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32

is er geverfd, en ik slaap niet graag in een vertrek, waar de verf nog niet bestorven is. Maar, hoe komen die soldaten daar op straat ? Ik dacht, dat ze allen weg waren! De Magistraat heeft er toch bevel toe gegeven ?"

„Ja, Uw Edelheid, dat is zoo; maar dat zijn ontevreden achterblijvers, die van alles bedenken om toch maar niet naar hun vendel terug te keeren. Zoo even is Kapitein Andries Albertz. echter hier geweest en heeft hun gelast binnen een etmaal te vertrekken."

„Maar wat voeren ze nu uit? Ze schijnen het op uw huis verzien te hebben ?"

„Dat zou wel mogelijk kunnen zijn, Uw Edelheid, want met behulp van mijn eigen volkje, heb ik ze de deur uitgegooid ! Ze beleedigden den Magistraat, en dat kan ik niet hooren."

„Maar welk afschuwelijk leelijk man spreekt daar met hen ?"

De waard keek óók op straat en zeide : „Dat is Pieter van Wezel, Edele Heer! Hij is bijgenaamd „Pier Quaet-Gelaet."

„O, ja, nu zie ik het! De beruchte Gllpper ?"

„Ja, Uwe Edelheid! En nu doet de schelm niets anders dan verdeeldheid zaaien."

„Zie, hij neemt de mannen mee! Zeker wel om het een of ander uit te voeren, dat geen daglicht zien mag 1 Ik gaf wel wat, als ik Wist, waar ze heengaan."

„Daar is kans op, Uwe Edelheid! Ik zie daar twee jongens aankomen, die er als voor geknipt zijn. De een is Cornelis Joppensz., een arme wees, die van zijn eerste kinderjaren liefderijk verpleegd is ten huize van schipper van Keulen. Zijn pleegouders hebben voor hem zoo trouw gezorgd, dat eigen ouders het niet beter hadden kunnen doen. Hij noemt die twee dan ook Vader en Moeder, en ik wed dat hij er eigenlijk nooit aan denkt, dat ze zijn pleegouders maar zijn. De ander is Gerrit Veriaën, die knechtje is op van Schaeck's schuit, en dat die twee jongens dus goed Geus zijn, hiervoor hebben de schippers wel gezorgd."

„Dat geloof ik ook ! Stuur die twee er dan maar eens op

Sluiten