Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

40

en kwam toen, na dertig jaar lang soldaat geweest te zijn, in Leiden."

„En hoe zien de schansen er van binnen uit Y' vroeg Jonkheer van der Does. „Hebben ze met dit ruwe -voorjaar niet veel door weer en wind geleden ?"

„Weineen, Mijnheere, ze zien er bovenst best uit," zeide Gerrit, ,#n Mees zeide, dat de Spanjaarden, als ze terugkomen, de Leidenaars niet uitschelden zullen voor „Schansenschenders." Maar één ding was jammer, zei hij."

Hij hield plotseling in en scheen de rest van zijn woorden in te slikken, alsof hij bang was, te veel te zullen zeggen. Dat vond Cornelis blijkbaar minder goed, en daarom ging hij zeggen, wat Gerrit zweeg: „Mees vond dat de Leidenaars nog veel vriendelijker voor de Spanjaarden moesten zijn en de schansen niet alleen geheel klaar, maken, maar ze ook voorzien van bedsteden, stoelen, taféls en kasten, dan kwamen ze aan een „Tafeltje welbereid", als ze de afgebroken belegering nog eens kwamen hervatten !"

„Die oude Mees verstaat de kunst om spijkers met koppen te slaan," zeide Jonkheer van der Does lachend. „Maar nu over onze zaken. Ben je Pier Quaet-Gelaet gevolgd zonder dat hij je.gezien heeft?"

„Hij heeft er niets van gezien, dat wij hem volgden, Mijnheere,1" antwoordde Gerrit. „Hij is «iet al de soldaten op de Coebrugsgraft gegaan in het huis van schipper Jiurrie Thijsz., die daar, zooals de halve stad weet, een sluikertje houdt!"

„Een sluikertje ? Wat bedoel je daarmee, jongen ?"

„Wel, Mijnheere, dat is een huis waar het soldatenvolk zich aan brangdemoris kan te goed doen. Die Jurrie Thijsz. is een schipper en betaalt voor den drank, dien hij stilletjes binnen de stad brengt, geen accijns. Hij kan dien drank dan goedkooper verkoopen dan een ander, die wel accijns betaalt!"

„Maar, jongen," sprak van der Does wat verrast, „je mag een mensch maar niet zoo gauw van kwaad beschuldigen ! Hoe zou je dat weten ?"

Sluiten