Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

42

Cornelis, en Gerrit voegde eraan toe: „Dat weten we al zoo lang I"

„Juist! En nu zal je zelf wel inzien, dat ze, als ze er achter komen, dat ze bespied worden, wel oppassen zullen, dat ze hun streken nog veel meer in het geniep uithalen. Ze blijven dan buiten schot en kunnen heel veel kwaad doen! Hier, dat is al vast voor je moeite l"

Jonkheer van der Does gaf ieder een verreltje, dat was een vierde gulden, en beide knapen snelden verheugd heen.

„Wat denk je ervan, van Aecken? Zouden de jongens ons niets wijs hebben gemaakt ? Je kent het volk hier beter dan ik," zeide van der Does toen de beide knapen weg waren.

„Het spreekwoord zegt: „kinderen en dronken lieden zeggen de waarheid," Uwe Edelheid!"

„Met spreekwoorden moet men voorzichtig zijn, van Aecken ! Als dat waar was, dan zouden alle waarden welgestelde lieden moeten zijn, want een spreekwoord is er, dat luidt: „Der en is ghien weert so arm, ofte hij can enen gaste een maeltijt broots borghen."

„Uwe Edelheid heeft gelijk, maar met deze twee jongens kan toch wel een onderscheid gemaakt worden. Beiden varen al van hun tiende jaar af, en gaan daardoor altijd met oudere lieden om. U kan bovendien verzekerd zijn, dat beide schippers, als het jagertje de schuit trekt en er dus aanboord niets te doen is dan te sturen, heel wat met de jongens bepraten, dat eigenlijk nog niet voor kinderen geschikt is om besproken te worden."

„Je meent dus dat Pieter Adriaensz. mij niet uitlachen zal, als ik hem mijn vermoedens mededeel ?"

„Och, Uwe Edelheid, ik houd het er voor, dat hij, zoo wel als van Hout, reeds alles weet."

„Hoe zouden ze dat te weten gekomen zijn ?"

„Jonker Morsch is er ook nog, Uwe Edelheid! En wat Jonker Morsch niet en weet, dat weet Willem Cornelisz. Speelman dan op een prikje! Die twee zijn wat mans!"

Sluiten