Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44

kamer, doch eer hij insliep, schudde hij het hoofd en mompelde : „Het zijn wel degelijk leeuwen, die ik zie."

Ook Meester van Aecken ging, na zich verzekerd te hebben, dat alles gesloten en gegrendeld was, slapen, en een van zijn laatste gedachten van dien dag was: „Er zijn echte leeuwen op den weg, maar, vossen zijn er ook bij, en dat is erger ! dat zegt Janus Douza !"

VIERDE HOOFDSTUK. Zoo'n Glipper!

Vriendelijk' keek de zon op Maandag, den tienden Mei, in het jaar onzes Heeren 1574, op het aardrijk neer, en liet haar levenbrengende stralen flikkeren op den effen waterspiegel van den Ouden Rijn, die zich, als altijd, droomerig en traag tusschen zijn nauwe bedding, als namaaksel van den Zwitserschen Rijn, 'voortbewoog.

Voor de oude steenen brug van het toenmaals reeds voorname dorp Alfen lagen eenige flinke .riviervaartuigen naast vele kleine vrachtschuitjes, tentsnebben geheeten, te wachten tot de waterstand in den Rijn wat lager werd, om zich door de nauwe brugopening te kunnen wringen, en de reis naar Leiden te vervolgen, als zij, die aan de andere zijde lagen, dat althans niet beletten, door het eerst er bij te zijn .om de tegenovergestelde ridhting te nemen.

En, wel was er haast bij, dat de vaartuigen, die aan den Zwammerdamschen kant der brug lagen, met hun kostbare lading, die voor een groot deel uit ±urf, boter, kaas en graan bestond, trachtten zoo spoedig mogelijk zich voor een overval van de Spanjaarden te hoeden, door binnen Leiden te komen. Sinds een paar dagen toch had zich het gerucht verspreid, dat de Staatschen, ergens in het Limburgsche, door de Spanjaarden geslagen waren geworden. Ja, alsof het verlies van dat gevecht nog rtifet .groot genoeg was, werd er ook bij ver-

Sluiten