Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

67

maanden lang niet uitbetaald wordt, te bekomen, vat je 't ?" antwoordde de spreker.

„Nou," viel één uit den hoop wat terechtwijzend in, „zulk een Electo hebben de Spanjaarden een paar jaar geleden te Utrecht wel gekozen, maar in den laatsten tijd heb ik er toch niets van gehoord."

Het was een zekere Cornelis Otten, die boterkruier van zijn heroep was, die zoo sprak, en onder den minderen man stond hij, als vriend van het volk met een helder hoofd, hoog aangeschreven. Wilde Jurrie Thijsz. nu niet opeens alles verliezen, wat hij zoo even bij het volk gewonnen had, dan moest hij dien boterkruier dadelijk eens flink op zijn nummer zetten, wat hij dan ook deed door te zeggen: „Och, man, waarvan zou jij hooren ? Je komt immers nooit verder dan de Boterwaag! Je moet, zooals ik, schipper wezen om veel te hooren en te zien. Wat ik zeg, is waar, want "

„Is niet waar," herhaalde Otten, wien het verveelde, dat Jurrie Thijsz. daar onwaarheden stond op te disschen.

Enkele omstanders stoorden zich echter niet aan die tegenspraak en riepen : „Ga verder, Jurrie ! Stoor je niet aan iemand, die door van Hout betaald wordt om ons nog armer te maken dan wij al zijn."

„En behalve dat," vervolgde Jurrie, „is er twist tusschen Valdez en Graaf de la Roche, zoodat iedereen, die maar een aasje gezond verstand heeft, begrijpen kan, dat de Landvoogd dien twist tusschen twee Legerhoofden eerst bijleggen moet, eer hij aan een belegering denken kan."

„Glipper! Glipper! Heeft Don D'Ayala je al die leugens te Alfen verteld?" klonk opeens een jongensstem. „Je bent een verrader, Jurrie ! Een gemeene verrader !"

„Wie durft me daar voor verrader schelden?" galmde Jurrie Thijsz. „Ik roep allen tot getuigen of ik mijn Vaderland en Leiden niet liefheb. Hij, die dat roept, is zelf een verrader!"

„Ja, ja, een verrader," joelde het volk, en toen allen reeds

Sluiten