Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

73

„Er is toch een portier, dunkt me! Maar weet je wat, ga de luiden wekken, anders kom je overal veel te laat en je raakt je prachtige broodwinning kwijt 1" Dit gezegd hebbende ging Pier door, en toen hij ver

genoeg was om den jongen niet meer te kunnen inhalen, zoo hij er lust toe gevoelde, riep Cornelis:

„Van Wezel! Zeg, van Wezel I"

„Hei, was is het ?" klonk het uit de verte.

„Als je soms iemand noodig hebt om de luiden in het Convent der Witte Nonnekens te wekken, denk dan eens aan mij, zal je? Ik kan nog porklanten gebruiken!"

„Ho, kat-aas 1" schreeuwde Pier, „dat zal je berouwen," en meteen zette hij den sarrenden knaap na; doch deze had gezorgd ver genoeg uit de voeten te zijn om niet ingehaald te kunnen worden, zoodat Pier het dan ook eindelijk opgaf, en den knaap verwenschend, naar huis ging.

„Van Wezel I Zeg, van Wezel l" (Bladz. 72).

ZEVENDE HOOFDSTUK. Aan doovemanssdeur geklopt.

Het was meer dan tijd, dat Cornelis naar het Rapenburg ging om Meester Albertsz. te gaan wekken ; want het was dichter bij halfvijf dan bij vier uur.

Sluiten