Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

75

schouders heen en weer en beet hem toe: „Knaap, je spreekt onwaarheid! Dat kan niet waar zijn! Dat is onmogelijk! Zóó slecht is Pier Quaet-Gelaet nog niet!"

„En toch is het waar," antwoordde Cornelis en trachtte zich uit de ijzeren vuisten van den Hopman los te wringen.

„Bengel, ik zeg je nog eens, dat je mij grove leugens opdischt," hernam Albertsz. nogmaals, doch minder snauwend, en zelfs met een zucht liet hij er op volgen : „Ik en mag je niet gelooven!"

„Ik heb u al gezegd, Heer Kapitein, dat ik heusch niets dan waarheid, zuivere waarheid spreek," klonk het half snikkend. „Waarlijk het is stellig zoo! Ik bid u, geloof me toch!"

„Knaap, ik zal je gelooven! Maar wee u, zoo er één woord van al, wat je me gezegd hebt, blijkt geen waarheid te zijn! Dan laat ik je de poort uitjagen om er nooit weer binnen te komen. Ga heen, en zeg aan je Vader, dat ik niet naar Rotterdam ga, en dat hij te acht uur bij me moet zijn !"

„U kan er staat op maken, dat ik waarheid sprak, en mijn Vader zal komen, daar kan u op rekenen," antwoordde Cornelis verheugd, dat hij eindelijk dan toch geloofd werd, en dat hij hierover blij was, kon men hem aan het gelaat aanzien, wat Kapitein Albertsz. in den baard deed brommen : „De bengel schijnt toch de waarheid gesproken te hebben," waarna hij op luiden toon vervolgde: „Goed, en zeg, dat je Vader ook van Schaeck en Pieter Cornelisz. van der Morsch meebrengt. Maar, wee je gebeente, jongen, als je gelogen hebt!"

De deur van Meester Albertsz. viel toe en Cornelis vervolgde zijn weg om de andere luiden te wekken. Wat hem echter nooit gebeurd was, hij vergat er dezen morgen twee, die er nog al op aangedrongen hadden, dat hij hen toch vooral niet later dan vier uur roepen zou.

Het waren twee schippers, die vertrekken moesten. Ze zouden er echter niets bij verzuimen; want juist op het uur van afvaart hadden ze zulke vreemde geruchten opgevangen, dat ze besloten dien dag niet af te varen.

Sluiten