Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

76

Te acht uren waren van Schaeck, van Keulen en van der Morsch bij Albertsz. om middelen te beramen, die er aangewend moesten worden om den Magistraat en velen der burgerij, was het dan ook te elfder ure, de oogen te openen voor het dreigende gevaar.

Van der Morsch sprak het voornemen uit eens naar Petrus Cornelius den Predikant zijner gebuurte, te gaan. Hij wist dat deze een man was, die de onverschilligheid van den laatsten tijd met leedwezen had aanschouwd. De Predikant zou vast en zeker ingang bij de burgers vinden; want hij was geliefd bij iedereen.

Albertsz. zelf zou de twee Jonkers van der Does en Burgemeester Pieter Adriaensz. opzoeken om met behulp van dezen op de gemoederen der vermogende wevers te werken. Kon men dan ook al het verzuimde niet inhalen, men kon dan toch nog intijds eenige maatregelen zien te nemen, die in het welbegrepen belang der burgerij waren.

Maar wat de goedgezinden ook deden, de luiden weigerden geloof te slaan aan de geruchten, die in omloop waren. Het is waar, niemand kon zeggen, dat hij Cornelis Joppensz. ooit op een leugen betrapt had; maar een knaap was dan toch maar een knaap. Men kon niet weten om welke redenen hij zich op Pier wilde wreken.

„Laten wij toezien, wat er gebeurt, mannen," zeide de dikke bierbrouwer. „Immers als het uitkomt, zooals die Cornelis Joppensz. verteld heeft, dan zien we morgenochtend den Spanjool weer uit zijn oude schansen kijken, als een kraai uit haar nest."

„Ja, laten wij toezien, mannen! De brouwer spreekt verstandig ! Morgenochtend zal het uitkomen, of de knaap waarheid gesproken heeft, ja ofte neen!" riep een tweede.

„Bij mijne ziel, jelui bent verstandige koppen! Het gaat je allen als de schol, die zich wel eens gekookt wilde zien en dan weer wilde wegzwemmen. Ben je dan toch allemaal zoo oliedom, dat je niet vat, dat het voor alles te laat is, als je

Sluiten