Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

83

als die verwaande Don Martin D'Ayala, die mij durfde zeggen, dat ik een „ellendige bedelaar" of een „armzalige schooier" ben. Maar ze moeten voorzichtig zijn met Jurrie Thijsz., die er niet om geeft, wien hij dient, als er maar flink wat geld mee te verdienen valt. Biedt die Burgemeester Pieter Adriaensz. of een ander mij meer, dan word ik zoo goed Prinsgezind, als er maar één is. Ha, ha geld is de ziel van alle zaken.

„De lage huurling," bromde Florisz., de brouwer, zoodra hij alleen was. „O, konden we maar met open vizier strijden, man tegen man! Maar daartoe zijn we in Leiden te zwak; we moeten onszelve wel met listen inlaten. Maar dien Jurrie en dien Pier, ja, ik haat ze, en keer hun den rug toe, waar ik Pieter Adriaensz. nog oprecht de hand druk. Hij, van Hout en Jonker van der Does, en zoovele anderen zijn ten minste oprechte tegenstanders, die niet veil zijn voor een handvol gelds. Men weet, wat men aan zulke tegenstanders heeft 1"

Zoo begon het avond te worden na een dag vol onrust.

En daar, in een donker hol van het stadhuis, een hol waarin slechts een weinig licht door een vensterke van een span in het vierkant viel, zaten twee knapen, die denzelfden dag nog tegen elkander gezegd hadden: „Ik kan je missen," en „je bent mijn kameraad niet meer!"

Ja, dat hadden ze wel gezegd, maar gemeend toch niet; want zonder elkaar iets te zeggen, hadden ze, zoodra ze hier in dit gevangenishol alleen waren, elkander de hand gegeven, en het verbond van vriendschap hernieuwd.

Onbegrijpelijk was het in tusschen, dat het meerendeel der burgers en ook een groot deel van de Magistraat, niettegenstaande dat, wat Cornelis verteld had, toch nog maar altijd bleven gelooven, dat de Spanjaard niet terug zou komen, gerust en vol vertrouwen de toekomst tegemoet gingen.

„Ik ga zien, dat ik wat slaap," zeide Cornelis.

„Dat is goed, want je hebt vandaag een zeer moeielijk werk gedaan, Cornelis," zeide Gerrit.

Sluiten