Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

heel spoedig zag ieder, die met de oogen had leeren zien, dat de Glippers en de uitgewekenen moesten verteld hebben aan den vijand hoe treurig het binnen Leiden met den levensvoorraad gesteld was, en dat de Spanjaard nu in plaats van het oorlogszwaard en ander wapengeweld te gebruiken, het in deze belegering eens op een ander zwaard, en wel het hongerzwaard zou laten aankomen. Tegen dat wapen was niets bestand meende men. Voor de Leidenaars mocht dat nu een treurig vooruitzicht zijn, op het oogenblik echter bestond er nog geen dadelijk gevaar. Men hoopte op den tijd, die komen zou, en tegelijk op de hulp door den Prins van Oranje beloofd. En, Leiden had nóg iets waardoor het sterk was. Zij, die het met den Spanjaard hielden, of er mee heulden, waren, met uitzondering van enkelen, uit de stad gevlucht. Het grootste deel der bevolking, sprak met minachting over die Glippers en wierp al de schuld op hen, doch hun eigen lichtgeloovigheid brachten ze niet in rekening.

Zoo werd het Vrijdag, de acht-en-twintigste Mei.

Ten gevolge der belegering stonden handel en nering bijna geheel stil. De weverijen waren zoo goed als geheel gesloten en de brouwerijen hadden nog minder dan half werk. Het was derhalve geen wonder, dat iedereen tijd had, om overal bij te zijn, waar iets aan de hand was, of dat de mannen zich verzamelden om door allerlei gesprekken den ledigen tijd te dooden.

„Zeg, heb je 't ook al gehoord ?" vroeg op zekeren dag Gerrit aan Cornelis toen ze elkander, wat lanterfantend, op de Breestraat tegen kwamen.

„Of ik 't al gehoord heb ? Wat gehoord ?" vroeg Cornelis een weinig verbaasd, want hoe kon er nu in het ingesloten Leiden wat gebeurd zijn, dat niet iedereen wist?

„Wel, dat er bij den Magistraat een brief van twee Glippers ingekomen is ?"

„Neen, dat wist ik niet! En wie zijn er de schrijvers van ?"

„Ja, voor vaste waarheid wil ik het je niet vertellen. Men

Sluiten