Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

109

„Nu goed, goed! Maar zeg, zou-je ook half de berekening kunnen maken, hoe het komt, dat Geert Soet en de zijnen zich tevergeefs hebben laten wachten ?"

Van Schaeck haalde de schouders op, sjorde zijn schuit veel steviger vast dan noodig was en zeide: „Dat is onmogelijk juist te bepalen. Men kan alleen zoo wat naar de waarheid gissen, en — gissen doet missen 1"

„Nu ja, het spreekt vanzelf, dat we de waarheid eerst later te weten zullen komen. Het zou dwaas van mij zijn, die van je te willen weten! Maar wat vermoed-je dan, dat de oorzaak van dezen mislukten tocht is ?"

„Ik denk, dat Leeuwke de boodschap niet goed heeft overgebracht, of wel, dat hij door den Spanjaard is opgelicht," liet van Keulen zich nu hooren. „En, duid me deze vrijmoedigheid niet ten kwade, Overste, maar de Magistraat, zoowel als Uwe Edelheid, was wel wat onvoorzichtig, zulk een gewichtige boodschap te laten verrichten door een groot kind!"

Cornelis vond het niet prettig, dat van Keulen over Gerrit zoo min dacht, want hij, Conelis, was ervan verzekerd, dat Gerrit zijn boodschap goed gedaan zou hebben, of in handen van den vijand gevallen was. Hij trachtte zijn vriend dan ook van alle schuld vrij te pleiten, doch van Keulen, evenals van Schaeck, baloorig en nijdig, dat de vrijbuiters, als kwajongens teruggekeerd waren zonder iets uitgevoerd te hebben, gaf Cornelis zulk een uitbrander dat de knaap stellig zijn „goed woordje" voor Gerrit wel zou ingehouden hebben, zoo hij geweten had, dat Vaders pruik zóó verkeerd stond. Het ergste was wel, dat van Keulen hem verweet, dat hij nog een wicht was, dat het stroo van de wieg nog achter de ooren had zitten. En dit in tegenwoordigheid van Jonker van der Does! En dat tegen hem, die met trots een koperen half maantje op de muts droeg ten teeken, dat hij* een Watergeus was! Waarlijk, het was al te erg, en bij nader inzien zou van Keulen begrijpen, dat hij iets gezegd had, dat hij niet verantwoorden kon.

Sluiten