Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

121

vers per uur wil ik graag een pak ransel oploopen, al zeg ik het zelf!"

Schooneman ging heen om zijn werk te verrichten. Omstreeks middernacht kwam hij aan de genoemde Koppierenkade en begon ijverig te werken. Tegen acht ure hiermede klaar zijnde, keek hij op; maar nog kwamen de schuiten niet.

„Weet-je wat, ik ga een tikkie doen ! Zoo den heelen nacht in de kousen, neen, maar, een mensch is een mensen, een paar uurtjes slapen en dan toch twee maal drie, dat is zes stuivers verdienen, — goed dagwerk, al zeg ik het zelf!"

Na dit bij zichzelven vergenoegd gebromd te hebben, stond hij op en ging een eind van den dijk af in een boschje liggen slapen.

Het was negen uren en daar kwam Touw met de schuiten aan, Ja, de Koppieren-kade was doorgestoken, maar waar was Schooneman ?

..Schooneman ! Schooneman !! 1"

Geen antwoord.

Nog eens, maar veel harder : „Schooneman !! 1" Nog geen antwoord.

„Zou de zaak aan de Spanjaarden verraden zijn ? Zouden ze den arbeider gevangen hebben genomen ?"

Ja, niemand wist hierop wat te zeggen.

Er werd gezocht, hier, daar en overal, behalve in het boschje, dat een paar minuten verder lag, en waarin de luiwammes lag te slapen, dat hij ronkte.

De schuitenvoerders belegden nu raad, en eindelijk besloot de meerderheid, dat men zou terugkeeren.

Touw ontving zijn geld en ging naar huis in de gedachten, dat Schooneman, zeker al lang thuis zou zijn of, bij den Spanjaard achter de tralies zou zitten kijken.

Tegen den middag werd de slaper wakker. Hij stond op, keek naar de zon, zette een strootje, als zonnewijzer tusschen de vingers en zei: „Twaalf uur, jongens, dat is een voordeeltje! Ik reken van gisteren-avond zeven uur. Vijf en twaalf is zeventien, dat is zeventien keer drie. . . . een-en-

Sluiten