Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

125

komen kijken, is van der Morsch, en naast hem staat van Schaeck, die in kordaatheid en lichaamskrachten voor zijne andere twee makkers niet onderdoet. De beide vrienden Cornelis en Leeuwke, staan bij het roer, en aan den glans, die op hun blozende aangezichten ligt, is het te zien, dat zulk een tocht een kolfje naar hun hand is. —

Langzaam gleden de kleine vaartuigen langs het water en kwamen ongemerkt voorbij de Spanjaarden, die te Leiderdorp lagen, om een weinig verder, en wel bij de Doesbrug de Does op te varen.

Alles ging naar wensen en op het Haarlemmermeer ontmoetten ze de vijandelijke schepen. Aan het vermeesteren van dezen buit was niet veel eer te behalen ; want de schippers, die allerlei levensvoorraad aan de Spanjaarden moesten brengen, waren gedeeltelijk daartoe eenvoudig gedwongen, daar zij aan de zijde van den Prins van Oranje waren, en alleen uit vrees den Spanjaard gehoorzaamden. De overige schippers, die het met de Spanjaarden hielden, hadden op geen overval gerekend, en zoo kwam het, dat bijna alles, zonder bloedvergieten in handen der vrijbuiters viel. Bij het terugkeeren zou hun moed echter op een zware proef gesteld worden. Bij de Doesbrug gekomen, gaven ze het afgesproken teeken aan de Leidenaars, dat dezen zich gereed zouden houden tot een uitval.

En het was wel noodig ook; want de Spanjaarden hen met den roof ziende aankomen, begonnen hen heftig te bestoken.

Onder hen, die de Spanjaarden dapper bijstonden, behoorde ook „Pier Quaet-Gelaet."

„Leeuwke, Leeuwke!" schreeuwde Cornelis, „daar heb-je dien verrader, dien akeligen Glipper! Toe laten wij samen hem zijn bekomst eens geven l"

„Dat is goed," riep Leeuwke, „dien schelm nemen wij voor onze rekening, en als het maar een weinig meeloopt dan kan hij zijn testament wel schrijven ook!"

„Voor den Satan, daar is de ketelboeters-jongen van Voor-

Sluiten