Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

127

„Het is Pier !" riep Cornelis en sprong overboord. De worsteling van die twee was niet gelijk, doch Cornelis hing den Glipper letterlijk met hand en tand om den hals.

„Wacht, Keesje, ik zal je een handje helpen," riep Leeuwke en zijn haak in Piers wambuis slaande, zeide hij: „Al zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet! Kom een beetje dezen kant op, beste jongen!"

„Bengels, laat me los en ik geef ieder zooveel geld, als je maar hebben wilt," schreeuwde Pier.

„Ik heb geld genoeg man, al leef ik geen half uur meer 1 Kom hier, engel, ik heb een kostelijk appeltje met je te schillen," riep Leeuwke.

Hoe Pier ook tegenspartelde, hij moest het opgeven en voor de twee koene jongens zwichten.

Daar tuimelde de laatste Spanjaard, door van Schaecks zwaard doodelijk getroffen, in het water.

„Wacht jongens, ik zal dat katvischje eens even aanboord helpen halen! Dat is eene mooie vangst, zei de jongen en hij haalde een waterrat uit de fuik. Kom aan, een-twee-drie 1 Welkom aanboord, Pier ! Nog welvarende sedert den laatsten tijd, dat we elkander gezien hebben ? Maar, man, wat zitten je de haren slordig! Foei! Je knikkerbolletje lijkt wel een braambosch! Hier, Leeuwke, pak hem bij den kop, en jij, Cornelis, houd zijn voeten vast, dan zal ik hem eens even den pols voelen en naar zijn gezondheid vragen," spotte van Schaeck, die nu eens recht in zijn element was.

Pier deed, wat hij kon, om zich uit het geweld dezer drie te verlossen, en mogelijk zou het hem gelukt zijn ook, als van der Morsch en van Keulen niet toegeschoten waren. Thans zat er voor den Glipper niets anders op dan zich te laten knevelen, en met gejuich werd hij met den rijken buit, door de Leidenaars ontvangen.

Zoodra Cornelis aan wal was, liep hij, zoo vlug zijn vermoeidheid hem dit toeliet, naar huis. Hij smeet de deur open en vloog zijn Pleegmoeder om den hals.

Sluiten