Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

133

„En waarom ben-je zoo bang voor de galg?" vroeg Diala. „Ik heb nog een Moeder, Edele Heer, en ik-ik-ben nog zoo-zoo-jong 1"

„Als het anders niet is, dan zal het wel schikken, manneke 1" was het antwoord, en zich omkeerend ging hij heen.

„Wat moet er met den knaap gedaan worden, Senor?" vroeg een der soldaten, die Leeuwke gevangen hadden genomen.

„Wat er met hem gedaan moet worden ?"

„Ja, Senor!"

„Kerel, spreek ik dan hondentaal, dat je mij niet verstaat ? Zie je daar dien boom op dat weiland ?" „Ja, Senor!"

„Dat is zijn galg ! Je weet nu, wat ik wil!"

„Genade! Genade, Edele Heer! Ik ben nog zoo jong!" kermde Leeuwke. Maar Diala verwaardigde zich zelfs niet eens hem aan te zien en ging door.

„Genade, genade 1" gilde Leeuwke nu weer, en vatte een soldaat om de knieën, doch deze was even wreed, als zijn Bevelhebber, en kon hem ook geen genade geven, omdat hij dan ongehoorzaam zou zijn aan de bevelen van zijn' meerdere en volbrengen moest, wat deze beval.

De soldaten grepen hem aan, en niet tevreden met hem naar den boom te sleuren, mishandelden zij hem op een beestachtige wijze. Tot op het laatste oogenblik smeekte hij om genade, doch de hardvochtige soldaten waren even onmenschelijk ten opzichte van hem, als de woedende Leidenaars waren, toen ze „Pier Quaet-Gelaet" in hunne macht hadden. Gelukkig maakte nu de dood spoedig een einde aan de beestachtige marteling, die men den armen jongen deed ondergaan.

Gerrit zou dus niet terugkomen en Cornelis kon den dood zijns makkers wreken ; maar had hij geweten welk een dood men hem had doen sterven, hij zou, met gebalde vuisten en haat-sprankelende oogen gezworen hebben: „Honderd Spanjolen voor één Leeuwke!"

Nu wachtte hij met steeds klimmend ongeduld en toene-

Sluiten