Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

136

jongen, de Spanjaard ligt nog lang genoeg om de stad, en er zal nog meer dan genoeg te doen vallen !"

Die woorden zouden niet lang op vervullig wachten. Elf dagen later werd er weer aangekondigd, dat een gelijke belooning, als die van Zondag, den achttienden Juli werd uitgeloofd aan hen, die de eersten zouden zijn bij het bestormen van de schans te Boshuyzen.

Cornelis stelde zich onder het bevel van Hopman Gerrit van der Laan, den wakkeren zoon van Burgemeester van der Laan, uit Haarlem, die zich in een goed met geschut voorziene galei inscheepte. Deze galei droeg den naam van „het schietvrije schip", omdat het „seer dick ende sterck gemaeckt was, also, dat het genoech voor een musquetscheut wij was." Die galei was opzettelijk gemaakt om bij uitvallen gebruikt te worden en beantwoordde ook geheel aan dit doel. Cornelis was weer met een musket gewapend, terwijl van Keulen zich aansloot bij de bende, die onder bevel stond van Jonker Jan van Duivenvoorde. Zijn wapen was thans een knoestige, dikke knuppel van eschenhout, dien hij van onder uitgehold en met lood gevuld had.

Des morgens te drie uren stelde men zich in beweging, en zonder eenig gedruisch te maken ging het bedaard vooruit.

De Spanjaarden waren évenwei op hun hoede, en een hunner zijn musket afschietende, trof een der burgers.

„Dood aan al, wat Spanjaard heet! Vooruit 1" schreeuwden thans de Leidenaars en stormden, onder een vervaarlijk geschreeuw, voorwaarts.

Het gevecht was hevig; want de bezetting, die uit ongeveer zestig man bestond, verdedigde zich dapper.

„Voor Leiden!" klonk het hier.

„Voor Valdez!" klonk het daar.

„Dat is er drie 1" bromde Cornelis en laadde zoo spoedig mogelijk weder het musket, waarmede hij zoo even een Spanjaard had doodgeschoten

Terwijl het gevecht op het hevigst was, kwamen er enkele

Sluiten