Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

142

„Maar wie is dan toch die machtige bondgenoot?" vroeg; van Keulen opgewonden.

„Het water, schipper, het water is die bondgenoot! En wat het water kan, dat hebben de Spanjaarden voor Brielle ondervonden," zeide Bakker.

Van Keulen keek hem verwonderd aan en vroeg: „Het water ?"

„Luister," hernam Bakker, die met zijn vrienden gezeten was. „Je weet Roos en ik zijn weer met brieven naar den Prins geweest."

„Dat weet ik," zeide van Keulen, „en je bent zóó lang weggebleven, dat we al vermoedden, dat je allebei in het lot van Leeuwke gedeeld hadt."

„Gelukkig niet, goede vriend ! Toen de Prins onze brieyen gelezen had, vroegen wij wanneer wij antwoord konden krijgen. De Prins bleef een geruimen tijd in gedachten zitten, doch eindelijk stond hij op en zeide: „Hoort eens, mannen, de Magistraat van Leiden is zelf de schuld van den ellendigen toestand der stad. Trots al mijn raadgevingen heeft hij de schansen niet geslecht, en niet gezorgd, dat er koren en andere levensvoorraad binnen de stad kwam. Zorgeloos vierde men zelfs feest, bijna met den vijand voor de wallen. De handelingen van den Magistraat zijn onverantwoordelijk geweest. Maar nu maakt het volk met een klein deel der Regeering alles goed. Ik heb niets over dan bewondering voor mannen, als Pieter Adriaensz., Jonker van der Does, Jan van Hout en zoovele anderen, die met een zelfopoffering, nooit door anderen te evenaren, trouw aan de goede zaak blijven. Maar vele honden zijn der hazen dood, zóó kunnen ze het niet volhouden. Er moet wat gedaan worden, dat aan die trouwen steun brengt. Gij blijft hier tot ik in overleg met de Staten gehandeld heb." — Zoo sprak de Prins, en — wij werden er warm van onder onzen kolder. Eenige dagen later moesten wij voor de Staten verschijnen, en toen wij daar kwamen, zeide de Prins: „Mannen,

Sluiten