Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

146

toe : „Gaat nu op den toren, gij, Geuskens, en ziet het Maaswater te gemoet 1"

Valdez, wetend, dat het in troebel water goed visschen is, zond bode op bode om de Regeering tot overgave der stad te bewegen, en de Glippers hielden ook niet op de mooiste brieven te schrijven.

De strijd van Burgemeester Adriaensz. met de zijnen werd van dag tot dag heftiger, en dat gevoelden niet alleen de aanzienlijken, die hem steunden, dat gevoelden ook eenvoudigen, zooals van Schaeck en van Keulen.

Deze had zijn laatste geldstuk in de handen en bekeek het nauwkeurig. Het was een acht-en-twintiger, een noodmunt, zooals die het laatst geslagen was. Met aandacht las hij het omschrift: „Godt behoede Leyden."

„Als dit geld op is," zeide hij met een diepen zucht, „en het zal gauw genoeg op zijn, want alles is even duur, wat dan ? Dan moet ik mij bij onzen Bonmeester aanmelden voor de bedeeling. Voor de bedeeling, ik die zulk een trotsch vrijbuitershart heb, en die nog altijd hoe de nood ook aan den man mocht komen, geen penning aan een ander vroeg 1"

Diep zuchtend stak hij den acht-en-twintiger in den buidel en ging de deur uit om, zooals hij zijn vrouw zeide, eens naar het water te zien. Hij kwam nog tijdig genoeg om een troep vrijwilligers, die een aanval op de Poelschans gewaagd hadden, doch afgeslagen waren, te zien terugkeeren. Het eenige, wat ze er bij gewonnen hadden, was een paar maaltjes erwten en boonen.

Zoo liep de maand Augustus ten einde en nog altijd bleef het water even laag. De ellende binnen de stad steeg, en ontevredenheid en tegenstand namen hand over hand toe. En wat het ergste was, de Prins van Oranje lag gevaarlijk ziek te Delft.

Moedeloos liepen van Keulen en van Schaeck langs de Breestraat, toen ze Bakker en Roos tegenkwamen, die vertelden, dat ze weer naar den Prins moesten, want dat het zoo niet langer kon gaan. Er moest verandering komen 1

Sluiten