Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

147

De twee vrienden wenschten den moedigen boodschappers goede reis en behouden wederkomst, doch haalden de schouders op en zuchtten : „En als ze terugkomen, wat zal het dan anders geven dan beloften ?"

„Of het bevestigen van het gerucht, dat de Prins dood is," zeide van der Morsch, die hen inhaalde en hun verzuchting gehoord had.

„Dat verhoede God, want dan is in al de Nederlanden het heele werk der bevrijding vergeefsch geweest," klaagde van Schaeck.

De beide boden bleven een week lang weg, en pas Donderdag den vijfden September kwamen ze terug met het bericht, dat ze den Prins niet gesproken hadden, omdat hij, bijna door iedereen verlaten, aan een besmettelijke ziekte lag. Toch brachten ze een tijding mede, die weer nieuwen moed gaf, en dat was, dat de Zeeuwsche Geuzenvloot Dinsdag en Woensdag den derden en vierden September te Rotterdam aangekomen was, en dat men terstond de platboomde vaartuigen, die reeds gereed lagen, gewapend en bemand had. De Watergeuzen waren achthonderd in getal, maar telden elk wel voor vijf man. Ze hadden er enkelen gezien en ze waren er van geschrikt. Men kon het dien lieden aanzien, dat ze den dood niet vreesden en bij voorkeur de grootste gevaren opzochten. Bij de Spanjaarden waren ze niet minder, maar nog meer gevreesd.

De vreugde over de komst der Watergeuzen was echter van korten duur; want zij brachten wel den wil mede om wat te doen, doch het water hooger doen stijgen, konden ze niet, en evenmin konden ze den wind veranderen.

„Eer kan men met de handen aan den hemel reiken, eer Leiden ontzet wordt," heeft de Spanjaard geroepen.

Het is erg genoeg !

De kinderen verhongeren; de vrouwen vermageren ; de mannen verzwakken! Maar neen ! — Nóg is er een weinig koren! Nóg is er wat

Sluiten