Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

149

Daar viel Moeder Willempje Jansz. haar lieven Pleegzoon om den hals. Zij borg haar betraande wangen in de bruine lokken van den jongen, dien ze toch ook zoo innig, innig liefhad

„Jongen," zeide van Keulen, ook zeer aangedaan, „ons eigen kind ben-je niet, en toch houden mijn vrouw en ik zooveel van je, alsof je ons eigen kind was, en jij, jongen, je houdt zooveel van ons, alsof wij werkelijk je Vader en je Moeder waren. God geve, kind, dat wij allen je weerzien! Geef je Moeder een dagkus en mij en je broers een hand! Ga, ga met God, jongen!"

Diep bewogen voldeed Cornelis hieraan en snelde daarop de deur uit, doch nauwelijks was hij buiten, of daar voelde hij een meisjeshand de zijne drukken.

Het was de hand van blonde Gonda, Leeuwke's zuster.

„Dag, Cornelis," zeide ze en een traan uit haar oogen pinkend, bracht ze er nog met moeite uit: „Denk aan Gerrit, Cornelis! God behoede u!"

„Amen!" zeide van Keulen, die Cornelis op straat gevolgd was, en voegde er in stilte bij: „Godt behoede Leyden \"

DERTIENDE HOOFDSTUK. Medicijn voor den Prins.

De avond was reeds lang gevallen, toen men op den weg tusschen het slot Endegeest en Rijnsburg, een jonge en ongewapende Spaansche musketier stevig door zag stappen.

Hij had zeker haast; want zonder de voorbijgangers te groeten, ging hij maar altijd door, en alleen, als hij een Overste, Hopman of Onderhopman der belegeraars tegenkwam, groette hij beleefdelijk.

„Hei, kameraad, waar moet dat met zulk een vaart heen ?" vroeg hem onverwachts een Luikenaar, die onder het bevel van Jan de Nester stond, en nu op weg was naar

Sluiten